Hoe vaak ik dit wel niet gehoord heb de afgelopen jaren.
Als zoon, broer, vriend, collega, consultant en soms zelfs als buurt‑Labrador — zo noemde mijn vrouw mij altijd. Ik stond namelijk altijd wel weer met iemand te praten. Of dat nou kwam door onze hond Sientje, een prachtige Duitse dog, of omdat ik dit soort gesprekken nu eenmaal aantrek… tijd zal het leren.
Ik kreeg die zin vaak te horen wanneer mensen vroegen hoe het met me ging. Meestal nadat ík eerst had gevraagd hoe het met hén was. Ik liep niet te koop met wat er in mijn leven speelde. Veel ging via mond‑tot‑mond, zoals dat nu eenmaal werkt in families, vriendengroepen, werkomgevingen of de buurt.
En weet je — dat is prima. Er werd altijd gezegd:
“Het is beter dat ze over je lullen, dan weet je tenminste dat je hebt geleefd.”
Het gesprek als brug
Ik raakte vaak in gesprek met mensen omdat ik zag dat ze ergens mee worstelden. Werk, privé, gezondheid, relaties — het maakt niet uit. Door te praten, gedachten te wisselen, lucht je al zoveel. Je hoeft iemands probleem niet op te lossen. Een luisterend oor is vaak genoeg.
Gehoord worden is de eerste brug die je kunt slaan.
Erkenning voor wat er speelt.
Zien dat iemand ergens mee loopt.
Het gevoel geven dat je hem of haar écht ziet.
Dat maakt het voor de ander vaak net wat makkelijker om zich weer te laten zien in groepen: familiefeestjes, uitjes met vrienden, werkborrels, sportclubs, hobbygroepen.
Als mens heb ik altijd interesse gehad in de ander. Niet omdat ik beter ben, maar omdat ik me goed kan inleven. Daardoor ontstonden die gesprekken vanzelf — met vrienden, collega’s, klanten, of de buurvrouw van verderop.
Mijn eigen uitdagingen
Zelf ben ik vader van een dochter van inmiddels 17. Ik zie haar nu eens in de vier weken. Daar heb ik mijn eigen struggles mee gehad — en die blijven.
Elke keer dat ze kwam, werd er een oude wond opengereten bij het afscheid op zondag.
En de dag erna stond ik weer bij klanten, alsof er niets was gebeurd.
Wanneer mijn vrouw een nieuwe behandeling kreeg die insloeg, was het incasseren en weer opstaan. We konden over alles praten en relativeren — ook over wat er rondom mijn dochter gebeurde. De jaarlijkse vakantie‑onderhandelingen bijvoorbeeld. Het leek soms wel een kabinetsformatie. En toch verloor ik elke keer weer een stukje. En dan rug rechten, slikken, doorgaan. Toch?
Soms was ik letterlijk en figuurlijk ziek van alles. Dan was het niet meer opstaan, maar even stilstaan. En naar bed gaan.
Dit zijn geen dingen die je oplost met een pilletje.
En dat zag ik ook bij de mensen met wie ik sprak.
Iedereen draagt iets
Iedereen heeft wel iets dat zwaar weegt:
• een buurman die overlast veroorzaakt
• een kind dat niet lekker gaat op school
• een vakantie die wordt gecanceld door een oorlog
• een vriend die zijn baan verliest
• een buurman die zijn vrouw kwijtraakt
Voor die persoon heeft dat impact.
Voor die medewerker.
Voor die vriend.
Voor die buurman.
En wanneer we ons weer durven openstellen voor wat er bij de ander gebeurt — écht openstellen — dan gebeurt er iets. Dan wordt het lichter. Dan hoeft niet iedereen meteen naar een zorgsysteem dat al piept en kraakt. Dan wordt het bespreekbaar op het werk en valt iemand minder snel uit.
De vraag aan jou
Vraag jezelf eens af:
Wanneer heb jij voor het laatst écht geluisterd?
Wanneer heb jij iemand zijn verhaal laten doen — het echte verhaal?