Vandaag is het bijna een jaar geleden dat we onze laatste dagen samen ingingen. Niet dat ik het wist. Want ik had nog steeds hoop — zoals zij dat ook had.

Op 31 maart begon ze met haar eerste bestraling. Er volgden er nog vier. We dachten dat het daarmee klaar was. Die avond staat nog op mijn netvlies gebrand. De dagen die volgden, de stilte, de hoop, het wachten. En dan donderdag 10 april, 18:05 — haar laatste adem.

De afgelopen weken ben ik door veel gegaan. Oude stukken uit mijn jeugd kwamen omhoog. Herinneringen, patronen, gevoelens die ik dacht achter me gelaten te hebben. Maar nu, deze dagen, herinnert mijn lichaam zich alles. Niet alleen het verdriet, maar ook de hoop, de liefde, de intensiteit van samen zijn in die laatste fase.

Ik zou op vakantie gaan naar Bali. Even weg, even ademhalen. Maar dat is gewijzigd. Niet door omstandigheden van buitenaf, maar door een innerlijke roep. Mijn lichaam vraagt iets anders. Geen uitvlucht, geen afleiding. Het vraagt om naar binnen te gaan. Om stil te zijn. Om te voelen.

Deze weken zijn heilig. Niet omdat ik dat besluit, maar omdat mijn systeem het aangeeft. Het herinnert zich. En ik luister.

Want rouw is geen moment. Het is een golf. Een ritme. Een beweging die soms zachtjes fluistert en soms alles overspoelt. En vandaag, bijna een jaar later, voel ik: ik ben nog steeds in beweging. En dat is oké.

Wat ik nu ook voel: mijn innerlijke kind begint het pas net te herkennen. De impact, het verlies, de verwarring. Het was te groot om toen te bevatten. Maar nu, in deze weken, komt het besef. En daarmee ook de toestemming om los te laten.

Deze weken zullen staan in het vastpakken, herinneren en loslaten. Niet als een lineair proces, maar als een dans. Een beweging tussen voelen en vrijlaten. Tussen erkennen en verdergaan.

En ik ben bereid om die dans te maken. Met alles wat er is.