Het was 10 april 2025 dat je overleed. De dagen ervoor, de dag zelf en de dagen erna was ik mij gewaar dat er iets om mij heen of in mij was. Een bepaald bewustzijn, een bepaalde aanwezigheid. Al de laatste jaren na mijn burn-out ben ik mij bewuster geworden, mede door zelfontwikkelingen op niveaus buiten het rationeel denken van de meeste mensen. Ik ben mij bewust dat er meer is dan we kunnen zien, en dat steek ik ook niet onder stoelen of banken. Als je het mij op de man af vraagt, dan zal ik je ook gewoon antwoorden. En nee, geen zweverige bullshit, maar gewoon onderbouwd met diverse theorieën die al bestaan, bedacht en onderzocht zijn voordat ik op deze wereld kwam in mijn luiers. Maar ook door het lezen van verschillende geloofsovertuigingen, waarin toch ook wel een kern zit die vaak overeenkomt. En met een levenswijsheid die in iedereen schuilt.
De dagen na je overlijden was ik bezig met het opzeggen van abonnementen en je lidmaatschappen. Want ja, die lopen gewoon door, en de RTL’s, mediagiganten en andere organisaties schrijven gewoon af. Ze interesseren zich er niet voor dat ik in rouw ben en jij daar ligt opgebaard in een koelcel. En ja, dan is het toch de medewerker, de persoon achter dat telefoonnummer, die eventuele menselijkheid toont en begrip. En ja, het is ook hoe je zelf als persoon dat gesprek aan kunt gaan of aangaat.
Zo belde ik het nummer van de lokale krant waar we een abonnement op hadden, omdat jij dat nog wel eens wilde lezen. Ik heb de krant en het nieuws de laatste jaren al heel gauw opgegeven. Maar goed, ik liet jou jouw ding doen. En dat was prima. Dus ik had een lijstje gemaakt met abonnementen en zaken die geregeld moesten worden, en daar zat ik. Ik belde het nummer en kreeg een oudere vrouw uit het oosten van het land aan de lijn. Ik vertelde haar dat ik het abonnement wilde opzeggen. Getraind als ze was, kwamen natuurlijk de eerste vragen: wilt u niet nog een aanbieding, waarom wilt u opzeggen, en ga zo maar verder.
Ik was rustig en beleefd en legde haar uit dat ik dit abonnement wilde opzeggen omdat jij hier gebruik van maakte, maar overleden was. De vrouw aan de andere kant veranderde van toon en we raakten in gesprek. Zij had ook haar man verloren, een aantal jaren geleden. En ze vertelde mij dat het eerste jaar ook wel allemaal ging. En toen kwam de man met de hamer. En stond ze stil. Ik bedankte haar voor het open gesprek en ging verder. Maar die man met de hamer sloeg ik wel op.
In aanloop naar je sterfdag, een jaar nadat je was overleden, bereidde ik me toch min of meer voor. Het was alsof ik de ramen en deuren begon te barricaderen en het zware geschut had klaargezet. Figuurlijk gesproken. Ik nam vrij van mijn werk en ik merkte aan alles dat er een stroming was die ik niet kon duiden, maar die er wel was. Vanuit eerdere ervaringen weet ik dat traumatische gebeurtenissen zich het jaar erop lichamelijk kunnen uiten. En de laatste dagen in jouw leven waren voor mij traumatisch te noemen.
Vrijdagavond, de week voor de donderdag van je overlijden, kroop je door het oog van de naald. Ik zag je die avond letterlijk uit mijn handen glippen. Je had die ochtend nog de laatste volledige bestraling op je hoofd gehad, vijf stuks die week. En we dachten die middag: we zijn er doorheen gekomen. We begonnen zachtjes aan met plannen maken om naar Italië te gaan. Een vriend kwam op bezoek en je was wie je was. Ja, je spraak werd wat minder naarmate het gesprek vorderde, maar dan was het tijd om weer even te rusten.
Die avond at je niet echt veel. Je had überhaupt niet veel trek die dag. Ik bracht je naar boven en je dochter ging mee en hield je in de gaten. Alsof ze het aanvoelde. Ik zei dat ik nog even het nieuws ging kijken beneden en dan naar boven zou komen. Ik zat nog niet, of je dochter kwam beneden, verschrikt: “Mama doet raar.” Ik glimlachte en zei: oké, ik ga wel even naar boven. Maar ik nam haar geschrokken gezicht wel serieus, al wilde ik het haar niet laten blijken en haar niet overbezorgd maken.
Ik kwam boven en zei nog tegen je: “Hee lieverd, ik krijg klachten over je, dat je raar doet.” En zoals je was, verbloemde je dat er iets aan de hand was. Jij was altijd zo lekker zelfstandig, ook als je ziek was. En je had er een hekel aan als ik soms het heft in handen nam en je overrulde. Niet dat ik dat graag deed, maar soms zei er iets in mij dat ik nu toch moest handelen.
Ik hielp je met omdraaien in bed en merkte dat het niet meer allemaal vanzelf ging. Ik hielp je weer op je rug en wilde je toedekken. Op dat moment voelde je dat je moest spugen en pakte ik snel een emmer, waarna je het een en ander eruit gooide. Ik zag dat het leek op prut en was meteen gealarmeerd.
Na het braken liet ik je liggen en ging beneden bellen met de huisartsenpost. Zo stronteigenwijs als ze waren met hun protocollen, moesten ze jou spreken. Dus ik hield de telefoon bij je oor en je deed nog steeds alsof er niets aan de hand was. “Dag meneer, bel maar als het verslechtert,” was hun antwoord.
Je had het bed onderhand ondergespuugd en je moest naar de wc. Maar je kon niet meer zelf uit bed komen, dus ik mocht je helpen. Als een lappenpop hing je aan mij en gingen we stapje voor stapje richting de badkamer. Jij zei nog tegen me, bij het naar buiten stappen van de slaapkamer, dat ik de verkeerde kant op ging. Vlag nummer 2. Ik zei: “Lieverd, de badkamer is hier.”
Ik had je uitgekleed, op het toilet neergezet en vroeg je dochter op je te letten. Ik verschoonde het bed en haalde je daarna weer op van het toilet. Wederom hing je als een lappenpop aan me, en bij het bed legde ik je erin neer. Op dat moment keek je dwars door mij heen en merkte ik dat je ver weg was, ook al reageerde je nog wel. Vlag nummer 3.
Ik vertelde je dochter dat ik ging bellen dat het goed mis was.
Ik belde de eerste hulp en die vertelde mij doodleuk dat ik maar even met de auto naar Purmerend moest gaan rijden. Ik zei: “Ik ga helemaal niet rijden, ze gaat naar Hoorn.”
“Ja meneer, wij kunnen niets regelen.”
Dus ik belde 112 en vroeg om de ambulance. Gelukkig werd er snel geacteerd en stonden ze binnen tien minuten voor de deur.
In de tussentijd maakte ik alles vrij op de trap, in de gang en in de slaapkamer. Ik informeerde je dochter dat ze je tas moest pakken en zich moest voorbereiden. De deur stond open, dus de ambulancebroeders waren snel bij je bed. Je reageerde nagenoeg niet meer fysiek op hun eerste checks. Het enige wat je nog deed was een beetje reageren met gemompel.
Ik gaf nog wat tips, adviezen en informatie mee aan de ambulancebroeders. Ik ontfermde me over je dochter en vroeg haar of ze zelf ging rijden of dat ze meereed. Ze was diep geschokt en zag alles aan de zijlijn gebeuren. Ik zei tegen haar dat ze goed had gehandeld en dat we nu maar moesten kijken hoe of wat. Maar we moesten nu naar het ziekenhuis.
Ik stapte in de auto en je dochter kwam later achteraan. In de auto belde ik je ouders en vertelde dat we wederom richting het ziekenhuis gingen. Ik belde je broer — geen contact. Ik belde je schoonzus — wel contact. Ik vroeg haar om eventueel te komen als steun voor je dochter.
In het ziekenhuis aangekomen lag je daar in de kamer van de eerste hulp. Je lag al aan de beademing, want die werd minder en je moest worden ondersteund. Contact was er niet echt meer met je; je lichaam reageerde ook nauwelijks nog. En je was aan het knokken.
De verpleging en artsen onderzochten je en er werd van alles gedaan. Ik zei continu dat waarschijnlijk de druk te hoog was geworden in je hoofd door de bestraling van de afgelopen dagen. “Dus doe wat en zorg dat het minder wordt.” Het voelde voor mij als een race tegen de klok waarbij elke minuut telde.
De verpleging en artsen liepen de protocollen af en handelden daarnaar. Ze gingen met je weg voor een scan van je hoofd. Ik gaf je medicatie tegen epilepsie mee. En daar zat ik te wachten. Je dochter en schoonzus gingen even een luchtje scheppen.
Je kwam weer bij mij terug. Ze vertelden dat je een aanval had gehad en gingen overleggen met de arts. Op dat moment stond ik daar alleen met je, bekommerde me om je en hield me groot. Je kreeg op dat moment weer een aanval en het deed me zeer om dat te zien.
Ik weet niet of je wel eens sciencefiction hebt gekeken, met een robot die met zijn ogen wegrolt vanwege een error en dan ontploft. Nou, zo zag dit er voor mij ook uit. En ik kon niets doen. Maar waar ging jij op dat moment doorheen? En waar ging ík op dat moment doorheen?
Ik drukte de alarmknop in, maar er werd niet gereageerd. Ik liep naar de teamkamer en de deur werd voor mijn neus gesloten. Ik klopte aan en klopte nog wat steviger. De deur ging open met een vragende blik. Ik zei dat je een aanval had en dat ik de alarmknop had ingedrukt.
We gingen naar je kamer en toen stond ik met vier man om je heen. Je kreeg nog twee keer een aanval onder mijn ogen. Ik vroeg wanneer ze nu die medicatie gingen opstarten voor het onderdrukken van de druk en de epilepsieaanvallen. De verpleging had alles al klaargelegd, maar was in afwachting van de arts.
Uiteindelijk gingen ze handelen en kwam de arts bij mij. Later bleek dat dit een arts in opleiding was. Hij vroeg aan mij wat we gingen doen. Ik wist waar hij op doelde, maar ik zei: “Wat bedoel je?”
Hij zei tegen mij: “Of het hier stopt.”
In mij ging er een stroming aan, van binnenuit, op het moment dat ik daar met hem stond. Ik zei tegen hem: “Tot vanavond had ik mijn vrouw nog, en ze komt nog terug.”
Hij keek mij aan alsof hij water zag branden. Maar mijn antwoord was genoeg voor hem op dat moment.
Ik zei nog tegen de verpleging: “Ze moet wel naar de oncologieverpleegafdeling. Want daar is het fruit zo lekker en het eten. Ik krijg op mijn kop als ik dat niet geregeld heb straks als ze wakker wordt.”
Je werd opgehaald en ik kon weer sprintend achter je bed aanlopen door de gangen van het ziekenhuis, daar ’s nachts om drie uur. Want ja, de verpleging heeft er wel tempo in, ondanks zo’n zwaar bed.
Ik sprak nog wat met de verpleging en je werd aangekoppeld en in beheer genomen. Ik ging daar op je kamer slapen om vier uur, op een slaapbank die verre van comfortabel was. Maar het was goed, want ik was bij je — dat was alles wat telde op dat moment.
Je dochter was met je schoonzus meegegaan en bleef bij hen slapen.
Om zeven uur was ik weer wakker en had helemaal niets bij mij. Dus ik ging maar even naar de overkant bij de AH wat dingen halen. Op het moment dat ik de AH binnenliep, startte het nummer Die With a Smile van Lady Gaga en Bruno Mars. En op dat moment biggelden de tranen over mijn wangen. Ik had het nummer al meerdere keren gehoord in de weken ervoor, maar nu was het alsof jij tegen mij sprak. Alsof dit het begin inluidde van het einde.
Want ja, je lag daar in het ziekenhuis in comateuze toestand en ik kon niet met je praten, lachen of huilen. Ja, huilen in mijn eentje, zonder dat je me aanraakte of me kon troosten. Wat voelde ik me verdomde alleen af en toe.
Ik liep naar de kassa en gelukkig hadden ze ook een zelfscan. Want om nu het kassameisje te overvallen met mijn verdriet, dat leek mij niet zo handig. Ik ging weer terug naar jou, daar op die kamer.
Ik belde je nicht op en vertelde wat er gebeurd was. Ze kwam direct naar het ziekenhuis. Ik heb veel steun aan haar gehad daar. Ik informeerde ook de rest van de familie, vrienden en mensen die het moesten weten.
Die zaterdagochtend kwam de zaalarts binnen met dezelfde vraag als ik die nacht had gehad. En ik antwoordde hem hetzelfde als die nacht: “Ze komt nog terug.” Ook deze man keek mij aan met ongeloof. Maar goed, het was voor hem duidelijk dat ze moesten gaan handelen.
Die ochtend kwamen je ouders, je broer en je schoonzus op bezoek. Ik zie ze nog staan, vol ongeloof en met een verloren uitdrukking op hun gezicht. Geen woorden meer. Geen clownsgesicht van jou dat hen geruststelde, zoals je normaal altijd deed.
Ik kreeg de mededeling van je familie dat ze achter mij stonden, wat ik ook zou beslissen. Daarmee voelde ik me ook wel erg alleen staan. Wie ben ik om zo’n grote beslissing alleen te moeten dragen? Het is jullie dochter en zuster ook.
Ik zag die zaterdag al dat je begon te bewegen met je been. En ik vertelde aan wie het maar wilde horen dat je lichaam weer aan het inschakelen was. Maar mensen keken me aan alsof ik gek was. Maar ik voelde je, ik zag je, en ik had een geloof. Dat geloof en dat gevoel waaruit ik kon vertellen dat je terug zou komen. En ik liet mij niet van de wijs brengen, ook al dachten mensen om mij heen misschien anders vanuit hun theoretische achtergrond.
Ik herinner me de gesprekken nog met de verpleegkundige, een doorgewinterde verpleegster. Ze bereidde me toch wel voor op dat dit niet eeuwig kon duren. Het maakte me ongemakkelijk en misschien was ik ook wel dwars. Maar het was ervoor om te blijven geloven dat je terugkwam, maar niet dat ik tot te grote hoogten moest gaan reiken. Dat is zoals ik het nu zie.
Je lichaam begon alsmaar meer in te schakelen en ledematen begonnen steeds meer te bewegen. Die zaterdagavond lag je al een tijdje te kreunen en te steunen, en opeens herkende ik het. Dat was je kreuntje dat je maakte als je op je zij wilde liggen. Dus met de verpleging hielp ik je om te draaien op je favoriete zij. En dat was voldoende voor toen. Je was weer rustig.
Ik sprak met de verpleging en maakte de dienstwissels mee. Je had een topper van een verpleegkundige, een kleine jongedame uit Medemblik. Maar ze was echt top. Ik heb het haar uiteindelijk ook verteld op dinsdagmiddag, voordat haar dienst erop zat. Ik zei tegen haar dat de drive en de manier waarop ze naast ons stond iets is wat ze altijd moet blijven vasthouden. Dat ze zich niet zomaar moet laten dicteren of sturen door artsen en altijd kritisch moet blijven. Altijd moet blijven kijken vanuit verschillende ooghoeken. Maar de rest van de verpleging was ook top.
Die zaterdagavond kreeg ik het fenomeen ‘koppelbed’ te horen en aangeboden. Het bed werd aan jouw bed gezet en het was net alsof we thuis in bed lagen, alleen dan in grote ziekenhuisbedden. Ik maakte het bed op en de verpleging keek ervan op. Ik zei: “Ja, ik heb een opvoeding gehad,” met een knipoog.
Je was onderwijl alweer op je rug gedraaid. Ik nam afscheid van de verpleging en we spraken nog even over de nacht en de controles. Ik zei: “Dank je wel voor vandaag.” En ze wensten mij een goede nachtrust.
Ik kroop naast je in bed en op het moment dat ik naast je lag, draaide je als een kievit om naar mij en kroop je tegen me aan. Dit was zo hartverwarmend en bevestigend — je wist dat ik er was en dat onze connectie er nog steeds was. Een traan biggelde over mijn wang. Want dit was een stukje bevestiging dat voor mij goud waard was.
Die nacht kwamen de controles en zo nu en dan gingen er alarmen af, waarna ik dan de zusteroproep deed. Maar ik was bij je en ik week niet meer van je zijde. Het waren gebroken nachten, maar ik kon ertegen.
Die zaterdagavond had ik je schoonzus nog gevraagd om even twee uurtjes aan je zijde te zitten, zodat ik even kon slapen op de slaapbank. Dat slaapje werkte echt goed en ik was ook echt even weg. Ik was je schoonzus er erg dankbaar voor.
De ochtend was ik altijd op tijd wakker en dan ging ik even wandelen buiten. Want ja, zo de dagen slijten in het ziekenhuis, en ik kwam weinig buiten. Om de hoek van je kamer was een familiekamer of koffiekamer. Soms ging ik daar even heen met de visite of het bezoek dat kwam. Er waren ook continu updates die ik gaf en deelde met de achterban. Ik probeerde op bepaalde momenten ook even te lezen. En ik hield je nauwlettend in de gaten: wat je deed en hoe je het deed.
Zondag begon je met je ogen te kijken en te scannen. Het was als vrijdagavond, maar nu bewogen ze niet van binnen naar rechts buiten, maar van rechts buiten naar binnen. Het was alsof je interne computer (je brein) weer aan het opstarten was.
Ik dacht aan je lenzen en dat we die misschien in moesten doen. Maar ja, hoe of wat? Ik durfde dat niet. Ik had het nog nooit gedaan. En je had ook twee verschillende lenzen — welke moest waar? Allemaal vragen waar ik geen antwoord op had. Maar goed, toen maar dezelfde sterkte in beide ogen gedaan, met hulp van de verpleging. Dit zorgde ervoor dat je niet te veel energie hoefde te steken in het kijken. Want ja, zonder lenzen was je net zo blind als een mol.
Je kon die zondag ook weer praten. Je gooide er van alles uit. Tegen je nicht zei je: “I married Berry,” en dat herhaalde je diverse malen. Als ik je dingen vroeg in kinderlijke vraag-en-antwoordvorm, kon je wel antwoorden. Maar als ik je vroeg waar je aan dacht, dan sloeg je brein vast. Ik zag het gebeuren en ik schrok. Ik aaide je dan over je wang en dan kwam je weer terug.
Ik heb nog filmpjes gemaakt naar aanleiding van de tekeningen die je van mijn zus haar kinderen had gekregen. Maar ik heb deze nooit gedeeld; ze staan nog wel op mijn telefoon. Ik kan ze nu wat beter terugkijken, maar het doet me nog steeds zeer. Ik heb ze ook niet gedeeld omdat ze jou onwaardig waren. Het roept het gevoel op van machteloosheid en hulpeloosheid. Maar ook de pijn van hoe ik je onder mijn ogen heb zien aftakelen en afbrokkelen.
Maar ik bleef van je houden zoals ik je leerde kennen en zien, negentien jaar geleden. En ik zag en voelde die persoon waar ik op verliefd werd nog steeds in jou.
Die zondag, met het opmaken van het bed en dat ik naast je kroop, lag je weer bij me. Ik legde mijn hoofd tegen het jouwe en ik voelde — en zag volgens mij — wat er in je hoofd afspeelde: een soort levensfilm met allerlei flitsen en beelden van herinneringen, met daarboven een oude telefoontoon zoals je hoorde als de hoorn van de haak lag. Ik zei tegen je: “Lieverd, laat dat maar gaan en sta er niet te veel bij stil. We zijn nu hier en ik ben bij je.”
De volgende ochtend, maandagochtend, werd ik wakker. Ik ging me opfrissen in de badkamer en maakte me klaar om te wandelen. Ik kwam de badkamer uit en je zei: “Goedemorgen lieverd.” Je was weer teruggekomen en helder zoals ik je kende.
We spraken over waar je was geweest, hoe je daar was gekomen en wat er allemaal gebeurd was. Ik zei tegen je dat ik even ging wandelen en dat je maar even moest rusten. Maar ik kon mijn geluk niet op op dat moment.
Tijdens het wandelen maakte ik een video die ik verstuurde naar iedereen met wie ik contact had gehad. Ik had het met woorden kunnen doen in een app, maar ik wilde iedereen mijn geluk, verdriet en alles wat er in mij leefde met hen delen op dat moment. Ik liep vol trots, ongeloof en hoop verder. Ik sprak met mijn vriend, met wie ik elke ochtend contact had gehad tot nu toe.
Ik kwam terug en ging ontbijten en hielp jou met eten. Je had trek, maar ik mocht je niet te veel geven van de verpleging. Maar je kon nu aangeven wat je wilde.
Die middag kwam je dochter langs met je schoonzus. En ik was opgewekt en hoopvol voor de komende dagen. Ik begon te denken dat je misschien nog wel weer naar huis zou kunnen komen. Ik dacht ook aan hoe vaak jij de geneeskunde in jouw leven een poepie hebt laten ruiken. Wanneer hoop leek op te raken, wist jij toch weer een draai eraan te geven. Wanneer dingen uitzichtloos leken, wist jij toch weer een nieuwe wending eraan te geven.
Ik ging naar huis, voor het eerst sinds vrijdag. En ik reed langs je ouders om even bij te praten. Echter, dat ontvangst was niet zoals ik had verwacht. Ik kreeg de mededeling dat ik dat soort filmpjes voortaan niet meer hoefde te versturen naar je moeder. En ik kreeg de vraag of ik geen vertrouwen had in de verpleging, omdat ik daar 24/7 verbleef.
Ik zei tegen haar — ondanks dat ze me daar op mijn ziel trapte — dat ik daar mocht zijn, dat ik samenwerkte met de verpleging, dat ik jouw wandelende dossier was van de afgelopen tien jaar, en dat ik jou ondersteunde en hielp omdat je zelf niets kon.
Met een kras op mijn ziel ging ik naar huis. Ik zei de katten gedag en douchte even om vervolgens weer naar jou toe te gaan.
In het ziekenhuis was je weer de clown die je was, met je dochter, schoonzus, verpleging en fysiotherapeut. Ik maakte me ongerust en vond dat je te gek deed. Maar nu snap ik het achteraf. Je wilde nog één laatste keer je dochter zien en jezelf laten zien aan haar. Je bent altijd sterk geweest en gebleven voor haar. En ik heb je mogen helpen opladen en terugkomen voor dat moment, die maandag. En het is goed, lieverd. Ik begrijp het nu.
Die maandagavond stortte je weer min of meer in. De dinsdag volgde en het werd tijd om de boel af te gaan tappen, want het vocht dat zich ophoopte in je lijf was enorm. Er werd buikvocht afgetapt. Je werd ook nog onderdrukt door de medicatie tegen epilepsie, en dat hielp niet mee. Ik probeerde met de verpleging en artsen te kijken of dat niet afgeschaald kon worden, maar dat durfden ze helaas niet aan.
Woensdag volgde, en dat was een dag waarop ik voelde alsof alles uit mijn handen begon te glippen. Niets leek te lopen en de scopie van je maag werd uitgesteld. Je had trek en honger, maar je mocht niks hebben. Ik mocht alleen maar je lippen bevochtigen terwijl je zo’n dorst had.
Er was ook een flexverpleegkundige ingezet die dag. En dat was geen succes. Niet dat het aan haar lag, maar jij was een specifiek geval waar op dat moment zo’n inzet niet echt aan bijdroeg.
Laat die middag kreeg je de scopie en bleek dat je bloeduitstortingen had in je slokdarm. Dus sondevoeding opstarten had geen zin, want dat kon leiden tot complicaties.
Die avond dekte ik je toe en ik zag hoe je benen en buik eruitzagen, ondanks dat we liters hadden afgetapt. Ik wist op dat moment dat morgen je laatste dag zou worden.
Ik kroop naast je in het koppelbed. Ik wenste je welterusten en je draaide je van me af omdat je last had. En ik draaide me ook van je af en lag daar te huilen, alleen.
Die nacht waren we nog vaak met je in de weer, want je stoelgang kwam eindelijk op gang. De verpleegkundige was me dankbaar voor de hulp die ik leverde en hoe ik ermee omging. Ze complimenteerde me en zei dat ze wel zulke handen konden gebruiken daar.
De volgende ochtend ging ik weer wandelen en ik wist dat het die dag ging eindigen. Ik belde met mijn maat en sprak erover. Toen ik terugkwam in je kamer, wist ik dat ik het je zelf moest vertellen. Dus ik vertelde je dat de trein hier stopt.
Je zei tegen mij dat het je speet en je zei: “Sorry.”
Ik zei: “Lieverd, dat hoeft toch helemaal niet? We hebben een mooie tien jaar gehad.”
Ik legde mijn hoofd op je schouder en huilde. Dat was het laatste moment dat je me troostte.
Ik moest me voorbereiden op het gesprek met het TOP-team. En ik belde je schoonzus om haar te vertellen dat het vandaag ging eindigen en dat ze misschien je dochter alvast een beetje kon voorbereiden.
Het gesprek was met een dame van het TOP-team, met wie ik eerder die week ook al had gesproken. Ze had gezien hoe ik meebewoog en meedacht. Ze vroeg ons — je dochter, je schoonzus en mij — wat jij nog zou willen.
Ik antwoordde, nadat het stil bleef: “Naar huis gaat ze niet meer. Ik denk dat ze haar poesjes nog hier wil hebben en dat ze nog een laatste moment met haar dochter wil. En vanmiddag eindigt het dan, en starten we de pijnmedicatie op. Want ze heeft pijn. Maar vandaag stopt het.”
De vrouw van het TOP-team ging naar je toe en kwam terug met de bevestiging dat je dat inderdaad wilde.
Ik wist wat me te doen stond: de katten halen.
Onderweg in de auto belde ik mijn moeder. Ik belde de rest van de mensen die de laatste dagen zo betrokken waren en waarvan ik vond dat ze het moesten weten. Ik zei tegen hen: “Als je wilt komen en er zijn, dan ben je gewoon welkom. Ik weet niet hoe de dag eruit gaat zien, ik weet niet hoe of wat. Ik heb geen script. Maar het is wel nu, vandaag, dat het eindigt.”
Ik reed naar je ouders en vertelde hen hoe het zat. Ik bood aan om, nadat ik de katten had opgehaald, samen naar het ziekenhuis te rijden. Je moeder nam dit aanbod aan; je vader kon het niet verdragen.
Dus ik ging de katten ophalen en mijn maat hielp me. Ik sprak de buurvrouw van verderop en vroeg haar om hulp met een kattenmand, want ik kwam er eentje tekort.
Nadat ik ze in de manden had en met een vals jankend orkest achter in de auto je moeder ophaalde en naar het ziekenhuis reed, belde ik met je schoonzus. Ik hoorde je op de achtergrond nog vragen waar de poesjes bleven. Dat is het laatste wat ik nog van je heb gehoord.
Ik zei nog met een gekke bek: “Zit ze me nu nog op te haasten ook?”
In het ziekenhuis aangekomen en de katten in de kamer, was je niet echt meer aanspreekbaar. Ondertussen waren familie en vrienden in de koffiekamer. Ook mijn dochter was er, met haar moeder.
Nadat je moeder — die met mij was meegekomen — naar de koffiekamer ging, begeleidde ik mensen voor een laatste bezoek aan jou en het afscheid.
Je moeder kwam bij mij en zei dat ik twee keer olympisch goud verdiende voor wat ik had gedaan. Ik was haar dankbaar voor wat ze zei. Maar ik zei haar ook dat ik me verdomde alleen had gevoeld.
Iedereen kreeg een moment om met je te zijn. En in de middag startten we de morfine op.
Om vijf uur nam ik naast je plaats en bleef daar met je zitten. Ik speelde nummers af van ons huwelijk en van je playlist voor je pre-50 party. Uiteindelijk liet ik het afspelen en zat ik daar bij je.
Ik vertelde je dat je mocht gaan, dat het goed was. Je bleef knokken.
En op een bepaald moment kreeg ik het gevoel van een koude mantel over mijn schouders heen. Het verwarmde mijn hart en ik kon de tranen niet bedwingen. Ik dacht: daar is Magere Hein die je kwam ophalen. Achteraf bleek dit jouw ziel te zijn geweest.
En een paar tellen later blies je je laatste adem uit, om 18:05 — het tijdstip waarop je ook bleek te zijn geboren, zoals je moeder mij later vertelde.
Op dat moment dat je je laatste adem uitblies, speelde op mijn telefoon het nummer Three Little Birds van Bob Marley. En de tekst was op dat moment: “Everything is going to be all right.”
Ik lichtte de verpleging in door de alarmknop in te drukken. En ik liep naar de koffiekamer om daar iedereen in te lichten.
Ik ging zitten op een stoel en door het raam begon het zonlicht op mij te schijnen. Het verwarmde mij op dat moment. En ik kreeg een gevoel over mij heen dat het goed was. Je had nu rust.
De dagen daarna droeg dit gevoel mij. Maar ook een bepaalde stroming. Ik leek te zien dat alles op zijn plek viel. Alsof er een bepaalde sturing was en synchroniciteit waar ik me van gewaar werd.
Dit jaar, 2026, hield ik rekening met je overlijdensdag. Ik was vrij in de aanloop ernaartoe. Ik zou op vakantie gaan, maar dat ging niet door. Toen besloot ik de woonkamer te verbouwen, zoals ik al had bedacht. Dit was ook een proces waarin mijn creativiteit werd aangesproken terwijl ik bezig was. Maar ook frustraties, boosheid en verdriet kwamen naar boven.
Ik had met mijn dochter afgesproken om op 10 april naar Valkenburg te gaan voor het weekend. Ik wilde niet thuis zijn. En ik wilde vanwege haar verjaardag op 7 april daar ook bij stilstaan. Ik haalde haar op vanuit Zoetermeer en we gingen door naar Valkenburg.
Daar aangekomen gingen we eten in het centrum. En ik zag plekken waar ik je laatste foto’s had genomen in de winter van 2024. Het raakte me, maar ik hield me groot naar mijn dochter. Natuurlijk vertelde ik het haar wel, maar ik merkte dat ik het misschien niet zo handig had aangepakt. Maar goed, niets forceren en rustig blijven.
Ik tipte nog wat kernovertuigingen aan dat weekend. En ik bracht haar op zondag naar huis. Ik heb zaterdagochtend nog bij het eenmansklooster gezeten op de heuvel. Dat gaf rust.
Ik was maandag nog vrij. Maar ik was er slechter uitgekomen dat weekend dan dat ik erin ging. Alles deed pijn en mijn lichaam wilde niet. Het was alsof ik door stroop liep tijdens het wandelen, wat ik nog steeds veel deed. Mijn kuiten en dijbenen waren gevoelig en vermoeid. Maar ik sleepte me voort en werkte aan mijn re-integratie voor mijn werk.
Tot een paar weken geleden.
Ik was dat weekend lekker bezig geweest, maar ik was ook geraakt in bepaalde momenten. De eerste keer in de tuin met een borrelplankje zonder jou. En dat raakte me. Ik had veel gedaan, was trots, maar kon het niet delen met iemand. En ik zat daar alleen.
De zaterdag had ik gekookt zoals ik normaal doe in het weekend — altijd speciaal, mezelf in de watten leggend. Er speelde muziek en ik keek naar onze trouwfoto’s. Ik zag hoe blij we daarop stonden en herinnerde me die mooie dag. De dag waarop alles leek samen te vallen en het goed was. De dag waarop ik onze liefde voor elkaar vereeuwigde met een ring om je vinger.
Nooit had ik willen trouwen in mijn leven. Ik zag het als een instituut, een verbinding door de jaren heen. Maar met jou zag ik het als een verzegeling van de liefde die wij met elkaar deelden.
Ik ging door dat weekend en op maandag werd mijn werk onderbroken door een telefoontje van de arbodienstconsulent. Ik sprak met hem over het weekend en ik brak op dat moment. Hij had geen woorden ervoor, maar hij begreep wel dat het rauw was en een kutgevoel.
Toen ik ophing, merkte ik dat het verdriet mij overmande en dat het gevoel in mijn benen eruit kwam. Ik zakte letterlijk en figuurlijk door mijn hoeven. Ik kon geen stap meer zetten. Ik schrok en raakte in paniek op dat moment. Want ik moest toch aan het werk? Ik moest toch werken aan mijn re-integratie? Ik moest iemand bellen. Ik moest iets. Ik wilde dit niet voelen.
Wat nu?
Ik belde HR en vertelde dat ik offline ging. En ik kroop in bed.
Ik kwam een paar uur later uit bed en dacht dat ik de volgende dag weer verder zou werken. Maar het ging niet. Alles deed zeer en de schrik zat er nog steeds in.
Ik reed naar het winkelcentrum en voelde de druk op mijn hart. Mijn systeem stond in overdrive en ik moest nu stoppen. Ik ging naar de huisarts en besprak mijn klachten. Maar ik wist dat dit gewoon de man met de hamer was — maar dan in mijn rouw. Niet de man met de hamer die je voelt bij een burn-out. Maar de spanning en het verdriet dat er nu uit mocht komen.
Maar dit was de spanning en het verdriet dat er nu uit mocht. Ik besprak nog een ontspanningspilletje met de huisarts, maar dat heb ik uiteindelijk niet opgehaald en ook niet gebruikt. Want ik moest en mocht hier doorheen gaan. Geen pilletje of wat dan ook dat hierbij zou helpen.
Ik berichtte mijn werk dat ik voorlopig al het werk stillegde en zorgde netjes voor een overdracht van alle activiteiten die op mijn naam stonden. Ook dit lijstje was alweer aardig gegroeid. En ik was ook alweer veel gaan dragen op mijn werk.
Maar nu werd het tijd om mezelf te dragen. Niet meer te laten trekken aan mijn jasje, maar mijn jasje om mij heen dicht te slaan en mezelf te verzorgen. Mijn systeem en lichaam door deze periode heen navigeren zonder moeten, zonder forceren, zonder hulp van buitenaf — maar gewoon door het te doorléven.
Want ja, het is K.U.T., maar het is ook zoals het is. En ik mag weer doorgaan met leven. Dat wist ik op het moment dat we hoorden dat je deze ziekte had. Ik wist het op het moment dat we in de stormen stonden. Maar ik gaf niet op, want ik leefde op dat moment voor jou, voor ons en voor de geliefden om ons heen. Dat was alles wat ik toen nodig had en vroeg.
Ik heb je altijd lief gehad en jij hebt jouw liefde aan mij gegeven. En dat was genoeg op dat moment. Genoeg voor mij. Ondanks dat ik ook zag hoe je aftakelde, beetje bij beetje, en op het laatste erg hard. Maar ik heb dit gevoel in mij, deze liefde, nooit opgegeven. Tuurlijk heb ik wel mijn twijfels gehad.. maar dan mocht ik terug gaan naar mijn gevoel.
Net zoals ik dat ook nooit heb gedaan bij mijn dochter, ondanks dat ik een weekendpapa ben geworden en aan het kortste eind trok.
Bedankt lieverd.